maandag, februari 20, 2006

RECENSIE DEDIKKEVANDAM

DEDIKKEVANDAM moet het kookboek zijn met de lelijkste omslag ooit. Goed, je kunt zeggen, Johannes van Dam had ook nog naakt met alleen een Brussels Spruitje voor zijn pisgaatje op de foto kunnen gaan, maar misschien was dat zelfs wel beter geweest. Ik ga nog verder. Had die voorkant door Erwin Olaf laten fotograferen. Dan had je echt iets moois gekregen. Van Dam met een bloedende varkenskop over zijn hoofd heen terwijl hij een makreel in zijn reet probeert te proppen, met zestien als rollades ingesnoerde lilliputters om zich heen. Dan zet je iets neer. Nu is het net helemaal niks.

Laat ik de voorkant van het boek even beschrijven. Johannes van Dam kijkt ons aan, deze keer verkleed als vriendelijke orthodoxe jood. Over zijn blijkbaar te aanstootgevende recensentenkruis heen is in gouden letters DEDIKKEVANDAM gedrukt. En zo iemand maakt zich druk om mensen die roken in een restaurant. DEDIKKEVANDAM over je eigen lul heen laten drukken en dat in duizendvoud in de boekwinkels neerleggen. Van Dam glimlacht een beetje, dus dat moet gefotoshopt zijn. Hebben ze heel zorgvuldig een lachend mondje in die woekerende boletenbaard van hem geplakt. Of hij voelt net met zijn rechterhand, die achter de letters schuil gaat, aan een rauwe kutzwezerik, dat kan ook. Hij wijst met een vinger naar boven, naar de met slordig rode viltstift neergekalkte leus: "even dedikkevandam d'r op naslaan".

Kortom, helemaal Johannes Walrus zoals wij hem kennen. Een voorkant van een kookencyclopedie die qua arrogantie als een fragmentatiebom in je gezicht ontploft. Maar, vooral lelijk. Het ziet er uit als zo'n kloterig boek van de maand dat je opgestuurd krijgt als je bent vergeten dat je lid bent van een boekenclub. Lelijk en ongewenst. Kut, weer een boek over de maffia en hoe het allemaal werkt. Zo iets.

De binnenkant is beter verzorgd. Mooie dundruk, een lintje en lekker ouderwetse illustraties er bij. Onbegrijpelijk dat je om zo'n binnenkant zo'n wanstaltige buitenkant fabriekt.

Over de inhoud. Ik heb er een paar dagen in zitten bladeren en wat een subjectief raar boek is het geworden. Eigenlijk dient dit boek maar één doel, namelijk de heiligverklaring van de schrijver zelf. In elk stukje, of het nu over Kervel, Snijbiet of Niertjes gaat, veegt Van Dam de vloer aan met allerlei denkbeeldige vijanden, valt woedend aan op koks die al driehonderd jaar dood zijn en lult maar door over de oorsprong van zaadjes en kruiden die je normaal gesproken even in je hand neemt en dan meteen weer wegflikkert. Die geldingsdrang, die woede… Koken vooral als een competitie zien en steeds maar weer proberen te bewijzen dat je viskoekjes maar op één manier klaarmaakt, namelijk de manier waarop Van Dam het zijn schele oma een keer zag doen vlak voordat ze beviel van haar negentiende kind. Van Dam is van de mathematische nostalgische kookkunst. Als hij zestig jaar geleden een vriendin een keer op een aardappel heeft zien spugen voordat zij die schilde, dan is dit tot in de oneindigheid de enige manier om je piepers te jassen. En maar aan namedropping doen. Jenny Arean bakte aardappeltjes voor hem, die en die kok herkende hem toen hij met dat achterlijke kijk mij eens een gek mannetje zijn hoedje door Parijs scharrelde op zoek naar god mag weer weten wat, waarschijnlijk een kwarteleitje dat je alleen maar in de Oude Hallen kan kopen bij die en die Franse Winkel. Iedereen is dol op hem, slaat hem op zijn schouders en feliciteert hem met het feit dat hij Johannes van Dam is. Volgens Van Dam zelf dan.

Het boek is behoorlijk volledig en hier en daar zelfs lachwekkend door de absurde arrogantie en boosheid die dwars door de verhalen heen druipt, maar het is uiteindelijk toch vooral ergerlijk, dat Professor Van De Kookkunst gedoe. Het beeld dat blijft hangen, als je dit boek goed door hebt gebladerd is dit: wat een angstig, bang mannetje. Met wat een wanhoop klampt hij zich in het leven vast aan maar één ding waar hij zeker over is: hoe je een korstje op een pudding brandt.

Ik heb hem wel eens zien zitten in Amsterdam, pontificaal, midden in een restaurant. Het was heel mooi. Ik stond buiten en hij zat binnen. Ik heb even staan kijken. Hij genoot van de aandacht, de nederige houding van de bediening. Hij zat met iemand tegenover hem, maar je zag het eigenlijk van 130 meter afstand. Eigenlijk zat hij daar alleen. Hij wreef in die natte taugébaard van hem en keek nog eens om zich heen. Ik ben toen doorgelopen, maar ik wist precies hoe het een paar uur later zou gaan. Afrekenen, de kok nog even aan tafel roepen en hem uitleggen hoe je een stuk zeewolf mooi wit op de graat aanhangend met andijvie klaarmaakt, namelijk door de vis even een kwartier onder je oksel te houden. Net zoals zijn schoonmoeder dat 45 jaar terug deed. Het personeel staat om hem heen en hij geniet. Dan de straat op, op weg naar huis. Daar voelt hij nog even aan zijn zestien kaasschaafjes. Mensen weten niet hoe belangrijk dat is, een goede kaasschaaf. Hij wel. Niet vergeten daar morgen een stukje over te schrijven, dat niemand dat meer weet, wat een goede kaasschaaf is. Daarna kruipt de dikke van Dam in bed. Hij weet heel veel over eten en hoe je het hoort klaar te maken. Dat is mooi. Dat heeft hij toch maar bereikt. Daarna valt hij in slaap, met zijn hoedje nog op.